Artikelen / downloads / boekbesprekingen
Download hier het beleidsplan.
De verdwenen kerk van Noord-Afrika Het hele gebied van Noord-Afrika is vandaag de dag vrijwel geheel islamitisch, maar was in het verleden grotendeels christelijk. De geschiedenis van het christendom in Noord-Afrika roept veel vragen op. Hoe kan een kerk die zelfs kerkvaders van formaat voortbracht, zoals Augustinus, Tertullianus en Cyprianus, op een gegeven moment gewoonweg zijn ophouden te bestaan? Regelmatig komt de stelling naar voren dat de Arabische moslims het christendom in Noord-Afrika hebben uitgeroeid, maar doet deze stelling wel recht aan de feitelijke geschiedenis en de gang van zaken? Er is relatief weinig bekend over het verdwijnen van het christendom uit Noord-Afrika. Als afsluiting van zijn studie theologie heeft Ron van der Poll uitvoerig onderzoek gedaan naar de redenen die hiervoor in de literatuur genoemd zijn, en deze getoetst aan de oorspronkelijk bronnen. Van der Poll komt tot de conclusie dat het christendom in Noord-Afrika in de loop der eeuwen klap op klap te verduren heeft gehad, waarbij de laatste christenen uiteindelijk onder de Arabieren in de 12e eeuw verdwenen zijn. Zijn thesis over De verdwenen kerk van Noord-Afrika is hier te lezen. Wie met de auteur over deze studie wil corresponderen, kan dat doen via onze contactpagina.
Boekbesprekingen
- 99.
-
Segers & De Vries, Wat christenen geloven & moslims niet begrijpen
Marten de Vries en Gert-Jan Segers schreven een boeiend boek over de kernzaken van de christelijke leer en het christelijke leven. Het is een uitwerking van een 12-tal lezingen die ds. Marten de Vries vanuit stichting Het Kruispunt in 2010-2011 organiseerde in diverse kerken in de regio Rijnmond en waarvoor ook moslimsprekers waren uitgenodigd. Ze geven antwoord op verwijten of onbegrip van de kant van moslims en stellen op hun beurt vragen bij islamitische overtuigingen.
Marten de Vries, predikant in dienst van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) van de regio Rijnmond voor de ontmoeting met moslims, gaat in op zes geloofsartikelen. Het zijn de zes geloofsartikelen die moslims als een samenvatting van hun geloofsleer presenteren. De eenheid van God, de engelen, de boeken, de profeten, de wederkomst en de voorbeschikking. De Vries belicht ze vanuit christelijk perspectief. Bij alle zes staat de persoon en het werk van Jezus centraal. Klassieke meningsverschillen en gevoeligheden worden niet uit de weg gegaan, maar juist benoemd en uitgebreid besproken. De manier waarop De Vries dit doet is vaak verrassend, maar iemand die geen ervaring heeft met de dialoog met hogeropgeleide moslims, zal de zin van bepaalde argumenten wellicht ontgaan. Het boek is bedoeld als aanmoediging voor deze ontmoetingen, bij het missionaire werk van een kerkelijke gemeente of in situaties waarin gemeenteleden op werk of school moslims ontmoeten.
Wie bij het lezen van de titel denkt dat moslims volgens de schrijvers dommer zijn dan christenen, wordt in de inleiding uit de droom geholpen. De titel verwijst naar Johannes 1:5, ‘de duisternis heeft het licht niet begrepen / in haar macht gekregen'. Zien de schrijvers de islam als een anti-christelijke macht? Marten de Vries: ‘Ik zie de islam als een reactionaire religie. Ze pretendeert zelf een correctie te zijn op het christelijk geloof. In wezen ontkent de islam het hart van wat christenen belijden, wat in het ichthus-teken wordt verbeeld: Jezus Christus, Zoon van God, Redder door zijn bloed. De Koran zegt met zoveel woorden dat wij niet in een Drie-Ene God moeten geloven en dat Jezus niet aan het kruis gestorven is.'
In de inleiding schrijf je over de Manaarlezingen waar dit boek uit voortgekomen is. Tijdens deze lezingen was er steeds een moslimreferent die reageerde. Waarom krijgt de lezer deze verhalen niet te zien? Heeft dit te maken met het gegeven dat het boek voor christenen bestemd is? Is het geen gemiste kans om de dialoog met het boek voort te zetten? De Vries: ‘Het boek is eigenlijk een bundeling van lezingen, die we herzien hebben na reactie van een islamitische co-referent en de discussie daarop volgend. In de lezingen hebben we niet geprobeerd de islam uit te leggen, maar het christelijk geloof tegen de achtergrond van de islamitische kritiek en vragen. Wat de kerk altijd beleden heeft en wat wij nog altijd hoog houden tegenover moslims. Dat is ook wat het boek onderscheidt van veel andere publicaties. De co-referenten ‘dienden' om te checken of, dan wel het publiek en moslimse (mee)lezers te laten merken, dat we goed naar moslims(e geleerden) hebben willen luisteren. Dat we geprobeerd hebben in hun schoenen te staan. Het boek is inderdaad allereerst voor christenen bedoeld om hen toe te rusten voor het gesprek met moslims.'
In het voorwoord schrijft Lucius de Graaff dat je als regel voor de dialoog hanteert, dat een christen niet mag bepalen hoe een moslim de Koran moet lezen en uitleggen, net zo goed als dat andersom geldt. Toch gebruik je in je boek Koranteksten als argument om moslims het recht te ontzeggen om de Bijbel als corrupt af te serveren. De Vries: ‘Wanneer ik dialoog-bijeenkomsten met moslims organiseer, hanteer ik inderdaad als spelregel, dat ik geen Koranteksten gebruik om het christelijke geloof uit te dragen, terwijl ik de Koran als geheel niet accepteer. Vervolgens kan ik dan van moslims verlangen geen Bijbelteksten te ge- of misbruiken in een poging het gelijk van de islam aan te tonen, terwijl ze de Bijbel als geheel niet accepteren. Ik vind het niet erg vruchtbaar zoals sommigen Koranteksten christianiseren om moslims tot Jezus te leiden. Bovendien, het vergt een deskundigheid die je je niet zomaar eigen maakt, waardoor je makkelijk grote blunders maakt. Uiteraard is het juist goed wanneer moslims en christenen zich laten bevragen op de betekenis van passages uit de boeken die zij ieder op eigen manier als heilig beschouwen. In dat kader kan een christen zeggen: ‘dit lees ik in de Koran, hoe zit dat?', en een moslim: ‘Maar in de Bijbel staat dat. Hoe moet ik dat dan zien?' De vragen moeten dan wel oprecht belangstellend zijn. Dat hebben wij tijdens de lezingen en met het boek geprobeerd.'
Gert-Jan Segers is directeur van het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie en was daarvóór zeven jaar werkzaam vanuit de GZB in Egypte. In het boek geeft hij een uitwerking van zijn zes Manaarlezingen over de laatste zes van de tien geboden. Hij verbindt de geboden over eerbied voor ouders en gezagsdragers, over de heiligheid van het huwelijk en respect voor de ander en diens bezit, met de idealen die moslims vanuit de sjarie'a nastreven. Actuele onderwerpen die in de binnenlandse en buitenlandse politiek voortdurend spelen. Ook aan hem enkele vragen over wat hij in het boek naar voren brengt.
Je bent geen pacifist, omdat je een verschil ziet tussen de taak van een christen om zijn geloof uit te dragen (Romeinen 12) en de taak van de overheid (Romeinen 13). Moslims stellen dat het geweld van Mohammed in de concrete politieke situatie van toen gerechtvaardigd en proportioneel was, vergelijkbaar met christelijke politieke partijen die vandaag steun verlenen aan de oorlog tegen de Taliban. Sta je op één lijn met Mohammed? Gert-Jan Segers: ‘Alles behalve. . Jezus' koninkrijk is niet van deze wereld en kan dus ook nooit met aardse middelen worden bevochten. Mohammeds koninkrijk was wel van deze wereld en kon met een heilige strijd - jihad - verdedigd en uitgebreid worden. Het verschil tussen Mohammed en mij als christen is dus hemelsbreed. Een christen mag zich politiek zeker inzetten voor aardse vrede en rechtvaardigheid, ik probeer dat ook dagelijks te doen. Maar de vrede met God en Zijn Koninkrijk kunnen nooit met wapens en politieke middelen dichterbij gebracht worden. Jezus vroeg aan de Romeinse hoofdman immers niet om te deserteren (Lucas 3), die mocht als soldaat van zijn land het zwaard blijven vasthouden. Maar toen Petrus het zwaard pakte om voor Jezus te strijden, bestrafte Jezus hem. Dat is het verschil tussen Romeinen 13 en 12.
Je geeft als vraag mee in jullie boek: ‘Moet een christen altijd gehoorzamen aan de overheid? Zo nee, heeft dan een moslim niet ook het recht soms in Nederland regels te negeren uit godsdienstige motieven?' De vraag aan jouzelf: Hoeven moslima's zich wat jou betreft niets aan te trekken van het boerkaverbod? Segers: ‘Als de overheid je dwingt om je geloof geweld aan te doen, dan kan het moment aanbreken om die overheid niet te gehoorzamen. Maar dat is zeldzaam. Het is nu al wel zo dat christenen sommige banen niet nemen of krijgen, omdat ze niet op zondag willen werken of niet willen meewerken aan euthanasie bijvoorbeeld. Maar burgerlijke ongehoorzaamheid gaat een stap verder en is alleen toegestaan als de overheid je dwingt iets te doen wat God verboden heeft. Denk aan het oppakken van Joden in de Tweede Wereldoorlog. In het geval van de boerka weet ik dat verreweg de meeste moslims dit geen religieuze plicht vinden, in tegenstelling tot de hoofddoek. Burgerlijke ongehoorzaamheid van boerkadraagsters zou ik dus ongepast vinden.'
Gaat de CU stemmen werven onder moslims om woekerpraktijken op de beurzen tegen te gaan? Calvijn zou immers de huidige praktijk niet steunen. Segers: ‘Daar waar moslims en christenen samen kunnen optrekken tegen onrecht en uitbuiting, moeten we dat vooral doen. Moslims mogen natuurlijk ook op de ChristenUnie stemmen. Maar even zo vaak zullen moslims en christenen het niet eens zijn en de CU blijft hoe dan ook een Unie van christenen. Samenwerking met moslims zal dus altijd het karakter houden van een gelegenheidscoalitie.'
Cees Rentier
- 100.
-
Marcel Poorthuis en Theo Salemink, Van Harem tot Fitna. Beeldvorming van de islam in Nederland 1848-2010
Teloorgang van de dialoog met moslims?
De Tilburgse hoogleraren Marcel Poorthuis en Theo Salemink schreven een omvangrijk boek over de veranderingen in kerk en samenleving in de visie op de islam en het omgaan met moslims. Van Harem tot Fitna. Beeldvorming van de islam in Nederland 1848-2010. Ze beginnen bij de ‘oude negatieve beeldvorming' in kolonie, missie en zending anderhalve eeuw geleden. Ze schetsen vervolgens de ontwikkeling van een nieuw paradigma dat binnen de Rooms-Katholieke kerk ontstaat en zijn hoogtepunt bereikt met de verklaring Nostra Aetate van het Tweede Vaticaans Concilie (1965), die een positieve waarde aan de islam als religie toekent. In de Rooms Katholieke traditie was die positieve waardering gegroeid vanuit ervaringen in de missie en door islamologen als Louis Massignon.
Binnen de protestantse traditie dringt deze nieuwe visie pas een decennium later door, omdat die zou zijn afgeremd door de Barthiaanse theologie. Wessels, Mulder, Slomp en Speelman worden als protestantse bruggenbouwers genoemd die de waarden van Nostra Aetate overbrachten naar de protestantse traditie. Deze protestanten vormden met katholieke theologen als Reesink en Camps een lange tijd een ‘hogedruk gebied' binnen de kerken waarin ontmoeting en dialoog goed konden gedijen. Na de Rushdie-affaire (1990) en ‘9/11' kwamen nieuwe critici van de islamitische cultuur naar voren. Fortuyn en Wilders met katholieke wortels en seculieren als Bolkestein, Hirsi Ali en Cliteur. Het boek laat zien hoe deze seculieren de westerse cultuur funderen op drie opeenvolgende historische bronnen: jodendom, christendom en humanisme. De islam heeft daarin geen plaats, omdat die juist haaks staat op deze verlichtingsstroom. Wilders neemt dit dogma over en radicaliseert het.
De kerken zagen deze ontwikkeling volgens de auteurs te laat gebeuren en raakten de greep op het thema kwijt. De schrijvers onderbouwen deze analyse echter niet overtuigend. Kennelijk gaan zij er nog vanuit dat de kerk zo'n grote invloed op de samenleving heeft, dat het de opkomst van het neoconservatisme dat zich tegen de islam keert, had kunnen voorkomen of bijsturen. Hier blijkt ook de beperking van hun onderzoek. Het lijkt alsof de schrijvers vanuit de universiteitsbibliotheek weinig zicht hebben op wat er zich op het grondvlak van de kerk afspeelt. Het is ook moeilijk te verklaren waarom Jan van Barneveld die slechts in de marge iets over de islam gezegd heeft en Ben Kok die nauwelijks enige kerkelijke binding heeft, uitgebreid aan het woord worden gelaten, maar de stichting Evangelie & Moslims als grootste kerkelijke organisatie die zich sinds 1978 exclusief richt op de omgang met moslims, categorisch verzwegen wordt. Naar mijn waarneming is het aantal plaatselijke kerkelijke gemeenten dat zich actief inzet voor een respectvolle omgang met moslimmedelanders, de laatste twintig jaar alleen maar toegenomen. De analyse dat de voorlichting over de islam vanuit de kerken en het maatschappelijke debat gescheiden werelden zijn (p.527), raakt ook kant nog wal.
De katholieke schrijvers zien de vorming van de ‘nieuwe protestantse eenheidskerk PKN' als het begin van een protestants afscheid van de theologie van de dialoog, met een ‘hoogkerkelijke nadruk op de uniciteit van Christus in exclusieve zin'. De teloorgang van de dialoog met moslims komt volgens hen op naam te staan van Bernhard Reitsma met zijn islam-nota voor de PKN. De toon van het boek wordt hier steeds bitterder en weinig academisch. Ze achten het waarschijnlijk ‘dat verworvenheden in de interreligieuze dialoog zoals de Concilieverklaring Nostra Aetate razendsnel hun impact zullen verliezen aan het protestantse fundamentalisme, dat zowel een anti-roomse als een anti-islamitische spits heeft' (p.569). ‘Als islamoloog is Hans Jansen dus ook voor de EO uitmuntend geschikt.' (p. 465). Kennelijk moet de lezer wel begrijpen dat hij wel diep gevallen is om bij die omroep uit te komen. Bij het dagblad Trouw zou een de teloorgang gepaard gaan met ‘algehele verwarring omtrent progressief en conservatief alsook een diepgaand wantrouwen tegen elke wetenschappelijke benadering van de islam'(p.431). Dat de kerk ernaar uit zou mogen zien dat moslims met hen Jezus Christus eert als Redder en Heer, is voor de auteurs volstrekt ondenkbaar en daarom worden de duizenden in de kerk die zich daarvoor inzetten, in het boek doodgezwegen.
De sterke vooringenomenheid van de auteurs doet aan de historische beschrijving afbreuk. Ze verheerlijken een verleden waarin vanuit een bepaald verlichtingsidee, de islam werd verwelkomd om de christelijke orthodoxie en de christelijke instituties te relativeren. Misschien moeten we maar blij zijn dat het dogmatisch pluralisme van seculiere westerse wetenschappers en liberale westerse theologen schipbreuk begint te lijden. We hebben behoefte aan een eerlijk verhaal op de universiteit en de in de kerk, dat recht doet aan de weerbarstige werkelijkheid van iedere dag. Geen verhaal waarbij christenen zich moreel of intellectueel boven moslims plaatsen, maar evenmin een verhaal waarin de wereld van de islam wordt geïdealiseerd. Het gaat erom dat christenen vanuit een doorleefd geloof zich naar moslims kwetsbaar opstellen, door een inhoudelijk antwoord te geven vanuit het eigen geloof op de uitdaging van de islam en de vragen die moslims hen stellen.
Ook ik maak me zorgen over de groeiende invloed van het neo-conservatisme dat gepaard gaat met vreemdelingenhaat en nationalisme. Juist als kerk moeten we dat ontmaskeren en afwijzen, omdat we vanuit de Bijbel weten hoe ons leven daarmee totaal ontspoort. De oplossing is niet dat we in de dialoog a priori alle religies als gelijkwaardig verklaren. Daarmee dienen we alleen een gedateerd westers dogma. Waardevoller is de bijbelse notie van het verbond, die CU-senateor Roel Kuiper naar voren bracht. In een verdeelde samenleving moet je je onvoorwaardelijk voor elkaar inzetten, ook al ben je het hartgrondig met elkaar oneens en worstel je met elkaar over de richting die we moeten inslaan. De geschiedenis van de afgelopen 150 jaar heeft laten zien dat juist díe kerken vitaal blijken te zijn, die passie hebben om het verhaal van Jezus Christus met moslims te delen. Ik hoop en bid dat die dialoog een langere adem heeft dan het conservatieve populisme.
N.a.v. Marcel Poorthuis en Theo Salemink, Van Harem tot Fitna. Beeldvorming van de islam in Nederland 1848-2010. Nijmegen, 2011. 704 pag. €42,50


Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. (Johannes 1:14)
Söz, insan olup aramızda yaşadı. O'nun yüceliğini -Baba'dan gelen, lütuf ve gerçekle dolu biricik Oğul'un yüceliğini- gördük. (İncil, Yuhanna 1:14)
وَالْكَلِمَةُ صَارَ بَشَراً، وَخَيَّمَ بَيْنَنَا، وَنَحْنُ رَأَيْنَا مَجْدَهُ، مَجْدَ ابْنٍ وَحِيدٍ عِنْدَ الآبِ، وَهُوَ مُمْتَلِىءٌ بِالنِّعْمَةِ وَالْحَقِّ. (إِنْجِيلُ يُوحَنَّا 14:1)
و کلام، انسان خاکی شد و در میان ما مسکن گزید. و ما بر جلال او نگریستیم، جلالی درخور آن پسر یگانه که از جانب پدر آمد، پر از فیض و راستی. انجیل یوحنا ۱:۱۴


