Reitsma maakt zijn keuzes transparant. Dat maakt zijn boek ook voor wie het niet met hem eens is, de moeite waard om te lezen. Het boek heeft tal van boeiende exegetische uitstapjes, met veel aandacht voor Israël. Vergeleken daarmee komt de islam en de diversiteit van de moslimgemeenschap maar beperkt inhoudelijk ter sprake. Reitsma heeft acht jaar in Libanon gewoond en daar is Israël natuurlijk een veel belangrijker onderwerp in de ontmoeting met moslims dan hier. Die ervaring daar heeft wellicht ook een rol gespeeld in zijn erg kritische beoordeling van de christelijke traditie en de neiging naar een pacifistische interpretatie van het evangelie (p.119-120). Wellicht had een verblijf in Egypte of Turkije tot een heel ander boek geleid.

De paragrafen over het gebruik van geweld door christenen vind ik niet de sterkste van het boek. Is het zo dat ‘na de zondeval bij Constantijn de verbinding tussen kruis en zwaard in de verdere geschiedenis van het christendom nooit meer echt is ontbonden’ (p.106)? Dat is een klassieke karikatuur. Recht en gerechtigheid kunnen niet zonder het zwaard in stand blijven. We dragen als christenen ook politieke verantwoordelijkheid in de samenleving. Dat is niet altijd goed gegaan, maar heeft ook veel opgeleverd waar wij in onze rechtsstaat vandaag dankbaar de vruchten van plukken.

In het Bijbelboek Handelingen maken de apostelen soms gebruik van de macht van de Romeinse overheid voor hun vrijheid. Reitsma lijkt dit ongepast te vinden (p.188 en 194) en verwijt christenen in het Midden Oosten geweld te gebruiken of corrupte leiders te steunen. Maar kunnen we Syrische christenen veroordelen dat ze Assad hebben gesteund, terwijl we als Westen zelf IS in het zadel hebben geholpen? Iets vergelijkbaars is in Egypte gebeurd. Moeten wij niet eerder onze westerse benadering onder kritiek stellen? 

Dat er vandaag meer moslims lijden onder geweld dan christenen, zoals Reitsma benadrukt, relativeert weinig, want hun lijden heeft vaak ook met de islamitische wet en het beroep op de soenna van Mohammed te maken. Reitsma laat dat grotendeels onbesproken en romantiseert de sjarie’a. In het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Europa heeft de islam zich met geweld verbreid en daar hebben sommige christelijke machthebbers zich met geweld tegen verzet. Toch geloof ik niet dat daardoor het christelijke getuigenis naar moslims onmogelijk is geworden. De eeuwen door waren er christenen die een authentiek getuigenis gaven aan moslims. Dat is niet zonder vrucht gebleven. Ondanks alle geweld komen er vandaag veel moslims tot geloof in Christus. Ze ontdekken kennelijk het verschil tussen westerse politiek en de inhoud van het Evangelie. 

De negatieve beoordeling van de christelijke traditie en de neiging naar pacifisme, hangen volgens mij samen met de hoge verwachting van christenen die Reitsma heeft. Hij geeft veel aandacht aan het werk van de Geest en ziet de christelijke gemeente als eerste gestalte van de nieuwe schepping (p.219). Reitsma leunt hierbij sterk op het werk van N.T. Wright, de theoloog die hij veelvuldig citeert. In dat spoor bevreemdt het ook niet dat het kruis van Christus theologisch niet zo’n centrale rol speelt in zijn betoog. Waar het kruis ter sprake komt, is het vaak als argument voor een benadering die neigt naar pacifisme. 

Reitsma omschrijft zijn visie als een contextuele benadering. Hij wil Mohammed vanuit zijn tijd beoordelen en is daar positief over. Hij beroept zich daarbij op de bekende christelijke islamoloog Colin Chapman, die daar volgens mij kritischer over is. Contextueel betekent voor Reitsma vooral dat hij net zo antithetisch is ten opzichte van het christendom als ten opzichte van de islam. Het evangelie moet als een tegencultuur op gelijke wijze het ontspoorde christendom en de ontspoorde islam corrigeren (p.149). Zijn kritische houding tegenover het christendom brengt hem er ook toe om ruimte te bepleiten voor moslims die Jezus gaan volgen, maar geen christen worden. Naar mijn ervaring zien veel bekeerlingen deze vorm van contextualisatie als een westerse knieval voor de islam die hen alleen maar meer in de problemen brengt.

Reitsma is vanwege zijn kritiek op de kerk, erg terughoudend als het gaat om de missionaire opdracht en negatief over ‘missionaire activiteiten’ of christenen die moslims met argumenten willen overtuigen wie Jezus is. Hij beroept zich daarvoor op Kenneth Cragg en Colin Chapman. Beiden trekken juist de omgekeerde conclusie. Chapman verdedigt dat bijvoorbeeld in zijn artikel ‘Time to give up the idea of Christian Mission to Muslims?’ Hij beantwoordt die vraag negatief. Als de kerk in het verleden gefaald heeft om Christus te verkondigen aan moslims, dan moet dat juist alsnog gebeuren. Veel moslims die tot geloof in Christus komen, klagen er juist over dat het zo lang duurde voordat er iemand was die vrijmoedig en enthousiast met hen over Jezus sprak. Laat onze eigen moeite met de kerk geen belemmering zijn om Christus groot te maken in de ontmoeting met moslims. 

Cees Rentier