Uit het onderzoek blijkt, dat onder kerkgaande protestanten 3x zo veel bereidheid is om contact te maken met moslims als onder niet-christenen. Volgens de EO is dat toe te juichen ‘omdat deze christenen dan misschien minder negatief over de islam gaan denken’. Dat is een opmerkelijke uitspraak voor een omroep die al 25 jaar getuigenissen uitzendt van moslims die tot geloof in Jezus komen en daardoor de islam verlaten. Moet je positiever gaan denken over een religie als je een religie beter kent of intensief met haar aanhangers omgaat? Dat is natuurlijk niet vanzelfsprekend. Het hangt er ook vanaf waar je bij het woord islam allemaal aan denkt.

Herhaaldelijk wordt in het onderzoek de koppeling gemaakt tussen negatief denken over de islam en een negatieve houding naar moslims. Die koppeling zou er voor een deel mede debet aan kunnen zijn dat 14% van de ondervraagde christenen aangeeft dat het tweede grote gebod niet naar moslims geldt. Onlangs bracht ik in een preek naar voren dat Jezus van ons vraagt om ook IS-strijders lief te hebben en ik bad ook voor hen. In de kerkeraadskamer gaf iemand eerlijk aan dat heel moeilijk te vinden. Doorpratend hielp het de man te realiseren dat het gebod van Jezus om zelfs je vijand lief te hebben, niet betekent dat je niet tegelijkertijd van zijn ideologie walgt en alle middelen gebruikt om hem te stoppen. Het evangelie roept ons op om mensen en hun handelingen en denkbeelden van elkaar te onderscheiden. Juist in de gepolariseerde situatie van vandaag is dat belangrijk.

Gelukkig is de steun onder moslims in ons land voor IS gering. Dat betekent nog niet dat een christen onverdeeld positief behoort te denken over de islam als religie. In waarschijnlijk iedere moskee in ons land wordt geleerd dat de Bijbel is vervalst en dat Jezus niet is gekruisigd en evenmin aanbeden mag worden als Redder en Heer. Je kunt niet van christenen verwachten dat ze dat positief vinden. Je mag verwachten dat ze daar tenminste verdrietig over zijn, omdat daarmee naar hun overtuiging het meest kostbare van Gods liefde wordt afgewezen. We hebben contact met ouders van wie een zoon of dochter moslim werd. De meesten zijn daar verdrietig over en bidden dat ze voor het eerst of opnieuw gegrepen worden door het evangelie, maar in alle gevallen die ik ken, blijven ze evenveel van hen houden. Volgens het onderzoek heeft inmiddels maar liefst 6% van de protestanten een moslim in de familie.

We moeten dus voorzichtig zijn om mensen die negatief over de islam denken neer te zetten als mensen die per definitie ongehoorzaam zijn aan Jezus’ gebod om je naaste lief te hebben. Net zo als we vinden dat mensen de ruimte moeten krijgen om zich negatief uit te spreken over het christelijk geloof en de kerk, ook al vinden we dat als christenen niet leuk. Alleen zo houden we het met elkaar vol in de samenleving. Waar christenen en moslims intensief met elkaar omgaan is er vaak tegelijkertijd herkenning en begrip én de pijn van afwijzing en onbegrip. Hoe dichter je bij elkaar komt, des te pijnlijker het ook is als de ander afwijst wat voor jou kostbaar is.

Zoals Knevel al opmerkte, zou je in het onderzoek moeten verdisconteren waar christenen wonen. In sommige delen van de biblebelt wonen bijna geen moslims. In ons werk zien we dan ook een groot verschil in kennis en ervaring tussen mensen in de Randstad en op de Veluwe. Meer kennis en ervaring leidt bijna altijd tot meer nuance en besef van complexiteit. Overigens kunnen mensen na jaren van contact ook diep teleurgesteld in elkaar raken en een negatieve houding naar elkaar ontwikkelen.

Bemoedigend is het om te zien dat 22% van de christenen die de Bijbelse opdracht ook op moslims van toepassing acht, aangeeft hier op een prima manier invulling aan te geven. Ik hoop en verwacht dat dat niet alleen geldt voor de opdracht uit Matteüs 22:39, maar ook die van Matteüs 28:19.

Cees W. Rentier