Kees de Wildt doet promotieonderzoek naar de ontwikkeling van kerkrecht en liturgie in de gereformeerde kerk in de Nederlanden in de zestiende eeuw. We leggen hem een aantal vragen voor die kerkenraden wellicht kunnen helpen bij hun bezinning op de dooppraktijk.

De Didachè (tweede eeuw) noemt begieting met water al als alternatief indien er geen stromend water was waar men in kon gaan. De vroege kerk kende een baptisterium (doopbassin), maar niet altijd paste daar voldoende water in om kopje onder te gaan en waarschijnlijk vond er dus ook begieting met water plaats. Hoe is er in Noordwest-Europa aanvankelijk gedoopt?

Het dichtstbijzijnde voorbeeld van een baptisterium uit de vroege middeleeuwen is mogelijk dat in de Keulse dom. Waarschijnlijk stond de dopeling in het bassin en werd hij overgoten met water. Nederlandse doopbassins uit de vroege middeleeuwen zijn niet bekend. In de periode van de kerstening zullen de volwassenen met hun kinderen ongetwijfeld buiten zijn gedoopt, in stromend water. Na deze periode, als de meeste volwassenen zijn gedoopt, wordt de kinderdoop algemeen. De oudste bekende liturgische voorschriften – uit de achtste eeuw – spreken al over een doopvont en zijn duidelijk gericht op kinderen.

Wanneer is men overgegaan van onderdompeling van kinderen in het water van het doopvont naar begieten of besprenkelen met water boven of bij het doopvont?

Onderdompeling van een kind in het doopvont lijkt tot aan het einde van de dertiende eeuw en mogelijk nog wel langer de standaardpraktijk. Bij uitzondering – grote koude of zwakte van de dopeling – mocht de priester ook water over het hoofdje gieten. Pas in de late middeleeuwen veranderde de dooppraktijk en begoot men de dopeling met een ruime hoeveelheid water over het (achter)hoofd en vaak ook de rug, maar ook besprenkeling kwam voor.

Waar en wanneer is het dopen door besprenkeling vanuit een schaal begonnen?

Bij het middeleeuwse katholieke doopritueel kregen het doopvont en doopwater een bijzondere wijding, waardoor aan dat geheiligde water magische krachten werden toegeschreven. Om zich van deze in hun ogen bijgelovige praktijken te distantiëren, maakten Nederlandse en ook een groot deel van de Duitse gereformeerden een radicaal andere keuze: zij gingen dopen vanuit een bekken of schaal op de avondmaalstafel. Voor het eerst zien we dit in 1525 bij Martin Bucer in Straatsburg. Vanaf ca. 1550 krijgt deze gewoonte een bredere verspreiding. Gereformeerden elders bleven wel een doopvont gebruiken.

Schreven doopformulieren of andere kerkelijke documenten van de gereformeerden deze manier van dopen voor?

Keuzes waren niet principieel, maar werden vooral uit praktische overwegingen gemaakt. Vaak werd daarbij ook nog de nodige ruimte gelaten. Johannes Calvijn schrijft in de Institutie (IV 15,19): ‘Overigens maakt het niet uit of degene die gedoopt wordt, geheel ondergedompeld wordt en of dit dan driemaal of eenmaal gebeurt, of dat hij alleen met water besprenkeld wordt, maar het moet de kerken vrij staan om hierin te handelen overeenkomstig de verschillen die er tussen landen bestaan.’

Ook het klassieke doopformulier herinnert met de woorden ‘de ondergang in en de besprenkeling met het water’ aan de mogelijkheid van doop door onderdompeling.

Was de reformatie tegen het dopen door onderdompeling en was de nieuwe manier misschien een reactie op de ‘wederdopers’?

De vroege dopers in de zestiende eeuw doopten niet door onderdompeling. Bij hen knielde de volwassen dopeling neer, kruiste zijn armen en kreeg vanuit een kan water over zijn hoofd gegoten.

De reformatoren waren beslist niet tegen onderdompeling. Maarten Luther pleitte juist nadrukkelijk voor deze manier van dopen. In De Babylonische gevangenschap van de kerk schrijft hij: ‘Vanuit deze overweging zou ik ook graag willen dat de dopelingen geheel in het water werden ingedompeld, zoals het woord zelf dit ook aangeeft en het mysterie ook betekent. Niet dat ik het volstrekt noodzakelijk acht, maar omdat het iets moois zou zijn als het teken van een zo volmaakte en zo rijke zaak ook rijk en volmaakt zou zijn, zoals het ongetwijfeld ook door Christus is ingesteld. […] om zo overeen te komen met Christus die stierf en opstond, met wie hij door de doop mede sterft en mede opstaat.’ Een deel van de lutheranen hield echter liever vast aan de traditie van begieting of besprenging.

Kort na Luther bepleitten gereformeerde reformatoren als Leo Jud en Ulrich Zwingli in Zürich de doop door onderdompeling. Ze kregen het echter niet voor elkaar hun kerk hierin mee te krijgen. De latere gereformeerde traditie koos er meestal voor om vast te houden aan de laatmiddeleeuwse traditie van begieting of besprenkeling. Anderzijds hield ze echter ook steeds overeind dat de keuze voor onderdompeling of besprenging een ‘middelmatige zaak’ is en dus geen twist mag veroorzaken.

Wat betekent dit voor onze dooppraktijk?

De Didachè laat zien dat de vroegste kerk al verschillende manieren van dopen naast elkaar erkende en praktiseerde. In de Reformatie zien we deze diversiteit terugkeren. Belangrijker dan de manier waarop we de doop bedienen, is de betekenis ervan. Het gaat erom dat we zuiver water gebruiken als symbool van de afwassing van onze zonden door het bloed van Jezus Christus. Dat is de primaire betekenis van onze doop. Het klassieke doopformulier verbindt dit echter ook nadrukkelijk met het begraven worden in zijn dood en het opstaan tot het nieuwe leven, die meer gesymboliseerd worden door de onderdompeling. Het belangrijkste is de vraag of we geloof hechten aan wat Christus ons met de doop wil zeggen.

Uit bovenstaande blijkt dat een kerk die vandaag bekeerlingen door onderdompeling doopt, zeker niet breekt met de traditie van de ReformatieDat er meerdere tradities zijn kan in openheid met dopelingen worden besproken, maar ik hoop dat kerkenraden daarbij wel ruimte bieden voor onderdompeling.

Cees Rentier

Illustraties: 1. Doopbekken Nieuwkoop. De Gereformeerden plaatsten het doopbekken zo dicht mogelijk bij de kansel. Waarschijnlijk om de verbinding met het verbond en de belofte van God die we via zijn Woord horen, te benadrukken. 2. Doopvont in de Grote of Sint-Maartenskerk in Zaltbommel. Beide foto's: © Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed