Een van de overeenkomsten zou zijn dat alle drie de groepen in zekere zin geïsoleerd van de rest van de samenleving optrekken en daar kritisch tegenover staan.

Nu moet je zo’n conclusie meteen ook wel relativeren, want veel onderzoekers en beleidsmakers hebben vandaag net zo’n oppervlakkige kennis van het christelijke geloof en het kerkelijk leven als van de islam in Nederland. Ze beseffen het verschil misschien ook niet tussen een protestantse kerkorde en de sjarie’a. Vroeger waren veel media erg negatief en bitter over kerken. Vandaag is dat minder, maar is er ook meer onbegrip. Wie zelf niet in God gelooft en geen kerkelijke of islamitische achtergrond heeft, begrijpt niet meteen de verschillen tussen orthodoxe christenen en salafisten. Daar moeten we niet meteen van slag van raken, al moeten we de verschillen wel uitleggen. Kerken voeren geen wetgeving die in de plaats komt van de wetten van de overheid.

We mogen wel protesteren wanneer de overheid christenen of moslims in een hoek plaatst, omdat hun opvattingen zouden afwijken van de norm. De overheid behoort ons geen staatsideologie op te leggen, maar alleen de rechtsstaat te beschermen. Ook bij de beschuldiging dat christenen of moslims geïsoleerd van de samenleving optrekken en daar kritisch tegenover staan, kunnen we vragen stellen. Als we alle kerkelijke stromingen en de migrantenchristenen meetellen, vormen christenen in Nederland niet langer de meerderheid, maar nog steeds een aanzienlijk deel van de bevolking. Een belangrijk deel daarvan ziet zich zelf als rechtzinnig. Wie bepaalt de norm waar je aan zou moeten voldoen om niet als geïsoleerde extreme groep te worden weggezet?

We moeten als christenen voorzichtig zijn om ons mee te laten nemen met algemene negatieve gevoelens tegen moslims. Steeds weer moeten we ons afvragen op grond waarvan er wantrouwen en kritiek is naar moslims. Zo waren de Turkse weekendscholen of internaten de afgelopen weken weer in het nieuws. Die scholen zullen waarschijnlijk geen salafisme uitdragen, maar waarschijnlijk wel een kritische houding tegenover de Westerse samenleving. Dat is echter onvoldoende reden om ze te verbieden. In Turkije wordt Turkse christenen verweten dat ze het verlengstuk zijn van het Westen en de Turkse staat ondermijnen. Als we dat onterecht vinden, zullen we met goede argumenten moeten komen om dit soort scholen in Nederland tegen te gaan. We moeten extra voorzichtig zijn omdat de overheid ook bij christelijk onderwijs steeds meer de neiging heeft de ruimte in te perken om opvattingen uit te dragen die botsen met de visie van de meerderheid.

Ik denk dat het terecht is dat het rapport, dat verscheen in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ervoor pleit om het begrip salafisme niet te snel overal op te plakken. Salafisten hebben niet per definitie de intentie om de westerse samenleving met geweld te verbouwen. Zelf heb ik goede herinneringen aan ontmoetingen met salafisten. Ondanks de verschillen is er inderdaad ook sprake van herkenning: Goed leven begint met respect hebben voor God en zijn geboden. Bij tal van salafisten is er vaak meer openheid om met christenen over God te spreken dan bij moslims die zich sterk hebben aangepast aan het seculiere leven. Als we vandaag dan toch al met elkaar worden vergeleken en dus in hetzelfde schuitje zitten als de salafisten, dan kunnen we dat als een aanmoediging zien om hen als getuigen van Christus op te zoeken.

Cees Rentier
directeur