In tal van steden klinkt de gebedsoproep al jarenlang. Veel moslims zouden het graag bij ieder van de vijf gebeden per dag laten horen, maar dat zal er in Nederland niet snel van komen. Midden in de zomer zou dat immers betekenen dat al rond vijf uur in de ochtend de islamitische geloofsbelijdenis over de daken schalt.

Moslims doen in West-Europa met beroep op het non-discriminatie beginsel vaak met succes een beroep op allerlei historische voorrechten van de christelijke traditie. In het geval van de gebedsoproep is al decennia terug door moslims betoogd dat dit vergelijkbaar zou zijn met de kerkklok. Zo is in 1988 in artikel 10 van de Wet openbare manifestaties terechtgekomen, dat ‘klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zijn toegestaan’. Vandaag zou er waarschijnlijk geen Kamermeerderheid meer voor te vinden zijn, maar terugdraaien zal niet snel gebeuren.

Bij het klokgelui staat er in de wet wel een beperking, maar niet bij de oproep tot belijdenis. Met een beroep op dezelfde wet zouden christenen in plaats van klokgelui er in de toekomst voor kunnen kiezen om iedere zondag het Apostolicum ook buiten de kerk te laten klinken. Bij de adzaan van de moskee gaat het immers niet om een neutraal geluid of mededeling dat het tijd is om te bidden, maar om de islamitische geloofsbelijdenis, inclusief ‘Allahoe akbar’. Stel je voor dat de Amsterdamse kerk Oase voor Nieuw West een geloofsbelijdenis via luidsprekers zou laten klinken in een van de talen die er bij hen gesproken worden, afgesloten met: ‘Lof zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, kom en aanbid Hem hier.’ Iedereen begrijpt dat er een storm van protest zou opsteken en dat de wet binnen de kortste keren zou worden aangepast om het te verbieden. Veel Nederlanders vergeten dat er steeds meer mensen in onze samenleving zijn, die verstaan wat er in het Arabisch uit de luidsprekers van de moskee klinkt. In de beleving van een deel van de migranten uit de moslimwereld is het ook zo dat waar de adzaan te horen is, de jurisdictie van de islam geldt. Die gedachte moeten we niet ondersteunen, want het is al zorgelijk genoeg dat zij die van moslim christen worden ook in ons land te maken krijgen met agressie.

Ik denk dat het onwenselijk is voor de verhoudingen in de samenleving dat er een geloofsbelijdenis wekelijks of dagelijks versterkt in een wijk wordt uitgezonden. Moslims zouden het gedeelte dat buiten klinkt ook kunnen inkorten tot de zin ‘Kom tot het gebed’. Ik zou het kerken niet aanbevelen om met luidsprekers een geloofsbelijdenis rond te bazuinen. Ons getuigenis kan beter op een andere manier worden verspreid. Maar met een beroep op de wet kunnen christenen de komende weken in ieder geval vrijmoedig kerstliederen zingen op de markt.

Cees Rentier - directeur