Aanleiding voor de oprichting van Evangelie & Moslims was een discussie die zich afspeelde in de Synode van de Gereformeerde Kerken (synodaal) over de aandacht voor Turkse en Marokkaanse gastarbeiders. In 1977 stelde de Gereformeerde synode ds. Jan Slomp aan om binnen de kerken voorlichting te geven over de ontmoeting met moslims. Prof. J. Verkuyl, die als zendingspredikant in Indonesië had gewerkt, vroeg de synode of deze functionaris geen missionaire taak moest krijgen. Hij had slechts één medestander op de synode.

De jaren 70 van de vorige eeuw vond er een grote theologische verschuiving plaats in de Gereformeerde kerken en de Hervormde kerk. Het was de tijd dat velen met Herman Wiersinga de klassieke verzoeningsleer begonnen af te wijzen. De gedachte dat moslims het kruis van Jezus Christus nodig hadden voor hun heil, werd als achterhaald afgewezen. Moslims en christenen konden van elkaar leren. Zoals veel vaker in de geschiedenis van de islam had een positieve houding tegenover de islam te maken met een kritische houding tegenover de christelijke orthodoxie.

Een aantal mensen die het eens waren met Verkuyl namen het initiatief tot de oprichting van Evangelie & Moslims. In het begin was onze statutaire naam: ‘Stichting voor verbreiding van het Evangelie onder Moslims in Nederland’. Daarmee wilde men duidelijk maken de missionaire roeping naar moslims die de synode afwees juist wel te willen oppakken. Het leidde de eerste jaren tot felle kritiek vanuit Hervormde en Gereformeerde zijde.

In het meer orthodoxe deel van de kerken was er juist steun voor Evangelie & Moslims. De CGK waren vanaf de oprichting als kerk bij de stichting betrokken, de NGK en GKV traden later toe als participant en vanuit de hoek van de Gereformeerde Bond waren de GZB en IZB participant. Dat wil niet zeggen dat er in dit deel van de kerken veel contact werd gelegd met moslims. Het werk van Evangelie & Moslims was voor het gevoel van veel gemeenteleden net zoiets als zending in het buitenland. Goed dat het gebeurt, maar slechts een roeping voor een enkeling. De leiding van kerkelijke gemeenten hield zich er nauwelijks mee bezig en predikanten kregen er vrijwel niets over mee in hun opleiding. De kerk kromp in de grote steden waar juist veel moslimmigranten kwamen en er was weinig verwachting dat evangelisatie onder moslims veel zou opleveren. Wellicht dat hierin meespeelde dat protestantse zendingsorganisaties in het Midden Oosten weinig succes hadden gehad onder moslims en als gevolg daarvan zich meer op christenen hadden gericht. In de jaren tachtig heeft het missionaire werk onder Marokkaanse en Turkse gastarbeiders in Nederland ook maar weinig vrucht. In Engeland en Duitsland, waar het missionaire werk onder moslimmigranten al iets eerder is opgepakt, is de situatie niet anders.

Tot midden jaren negentig was er nauwelijks een gevoel dat de islam als godsdienst onze samenleving bedreigde. Wel speelde het conflict rondom Israël een rol in de beeldvorming, evenals de revolutie in Iran die leidde tot de moord op diverse Iraanse voorgangers. In het spoor van de theoloog Miskotte, zette de Utrechtse professor Hanna Kohlbrugge de islam neer als puur heidendom dat zich verzet tegen de God van Israël en door de satan geïnspireerd is. ‘Allah is de nul die alles in leegte verslindt’. Een deel van de orthodoxe protestanten en van de evangelische groeperingen herkent zich hierin en is wantrouwend tegenover iedere vorm van missionair werk dat aanknopingspunten zoekt bij het godsbesef van moslims.

In de jaren negentig komt er een grote stroom asielzoekers naar Nederland en wordt verspreid over het land. Velen van hen zijn moslim, maar staan open voor het evangelie. Kerken zijn actief om asielzoekers op te vangen en het evangelie met hen te delen. Duizenden Iraniërs worden gedoopt. Terwijl er in de samenleving juist meer afstand wordt genomen van de islam, groeit in de kerken die Evangelie & Moslims steunen de verwachting, dat missionair werk onder moslims zinvol is en tot de roeping van elke christelijke gemeente behoort die met moslims in haar omgeving te maken heeft.

In de grote protestantse kerken, gefuseerd tot de PKN, vindt na een kaalslag van kerkverlating en secularisatie in het nieuwe millennium een kentering plaats. In het besef dat er iets kostbaars uit het oog dreigt te raken in de samenleving, komt er gaandeweg meer aandacht voor het getuigenis. In het Islam Memorandum van de Protestantse Kerk dat in de periode 2008-2011 tot stand komt, wordt dat ook richting moslims heel voorzichtig verwoord. In veel gemeenten groeit het draagvlak voor het missionaire werk zoals Evangelie & Moslims dat vormgeeft en ook de actieve betrokkenheid neemt toe.

Intussen vindt er internationaal en in eigen land een brede bezinning plaats op de noodzaak van contextualisatie om het evangelie voor niet-christenen verstaanbaar te maken. Ook wordt er gewerkt aan nieuwe vormen van kerk-zijn om nieuwe gelovigen een christelijke gemeenschap te kunnen bieden waarin zij zich kunnen thuis voelen. Dat laatste heeft niet alleen met nieuwkomers te maken, veel protestantse christenen zijn ook voor zichzelf op zoek hoe zij hun christen-zijn samen met anderen moeten vormgeven. Die missionaire bezinning is vandaag nog steeds gaande en daarin leeft er breed de overtuiging dat we met verwachting moslims mogen uitnodigen om Jezus te volgen.

Cees Rentier