De Koran noemt circa 22 profeten uit de Bijbel die vóór Mohammed gekomen zouden zijn. Ook Jezus zou volgens de Koran een profeet zijn geweest en zou als voorlaatste profeet de komst van Mohammed hebben aangekondigd. Volgens soera 61:6 kondigt Jezus een boodschapper aan die na Hem zal komen met de naam Ahmad. Het woord ahmad, dat verwant is aan de naam Mohammed, betekent in het Arabisch ‘beroemd’. Het Griekse woord voor beroemd is periklutos. Moslims beweren vervolgens dat in de oorspronkelijke versie van Johannes 14:26 ook het woordje periklutos zou hebben gestaan. Die suggestie is slechts bijgelovige speculatie. Er is geen enkel handschrift van het Bijbelboek Johannes waarin dat woord staat. In plaats daarvan spreekt Johannes 14:26 over de parakletos, de Trooster, die gelijk wordt gesteld aan de Heilige Geest die getuigt van Jezus. De islamitische claim dat Jezus Mohammed zou hebben aangekondigd als laatste profeet, doet sterk denken aan Mani (ca. 216–276 in Iran), de oprichter van het Manicheïsme, die ook claimde de parakleet te zijn als het zegel van de eerdere profeten. 

De meeste teksten over Jezus in de Koran gaan over de maagdelijke geboorte. Veel meer lijkt Mohammed over het Nieuwe Testament niet geweten te hebben. In de verhalen lijken er allerlei Bijbelse geschiedenissen door elkaar te lopen en is er sterke invloed van apocriefe lectuur die na de Bijbel kwam. De suggestie in soera 3: 33-44 dat de moeder van Jezus, Maria, onder toezicht van Zacharia in de tempel opgroeide waar ze wonderbaarlijk door God gevoed werd, komt uit het apocriefe evangelie van Jacobus dat in de tweede helft van de tweede eeuw geschreven werd. In de Koran wordt Maria, de moeder van Jezus, de zus van Aaron genoemd en heet haar vader Imran. Imran doet sterk denken aan Amram de vader van Mozes, Aaron en Mirjam in de Bijbel. De vergissing van ongeveer 1500 jaar zal veroorzaakt zijn doordat de namen Mirjam en Maria in het Arabisch identiek zijn en de schrijver kennelijk de Bijbelse geschiedenis niet goed kende. Het verhaal dat Jezus als pasgeboren baby spreekt en zijn moeder verzorgt met dadels en water, zoals we dat lezen in soera 19:23-26, lijkt afkomstig uit het apocriefe boek Evangelie van Pseudo-Matteüs of Geschiedenis van de geboorte van Maria en het kindschap van de Redder dat op z’n beurt weer voortbouwt op het apocriefe Kindheidsevangelie van Thomas. Het verschil is dat in de pseudo-evangeliën de gebeurtenis zich afspeelt in Egypte (waar dadelpalmen waren) tijdens de vlucht, terwijl het in de Koran tijdens de geboorte van Jezus plaatsvindt.

De suggestie dat Jezus van klei een vogeltje maakte en door er in te blazen het tot leven wekte (soera 5:110), komt uit het apocriefe Kindheidsevangelie van Thomas, dat tal van uiterst merkwaardige wonderverhalen over de jeugd van Jezus bevat. Zo lezen we in dit geschrift dat Jezus een kind van het dak duwde om het vervolgens van dood tot leven te kunnen opwekken. De laatste absurde gedachte staat gelukkig niet in de Koran, maar ook van de profeten van het Oude Testament vinden we allerlei wonderverhalen die afkomstig zijn uit apocriefe geschriften die met goede reden buiten de canon van de Bijbel zijn gehouden. Het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat Jezus juist niet wilde dat mensen in Hem geloofden vanwege de wonderen die Hij deed. Hij trekt zich terug als mensen Hem daarvoor volgen en verbiedt regelmatig dat mensen het wonder van hun genezing aan anderen vertellen (zie bijvoorbeeld Johannes 2:23-25, Markus 5:43 en Lukas 4: 23vv). Zijn wonderen zijn steeds gericht op het herstel van de gebrokenheid van mensen als teken van Gods koninkrijk en juist niet gericht op effect vanwege buitenissigheden.

Dit is het eerste deel van een artikel in ons blad Oriëntatie, nummer 138 (maart 2020).