Het boek van Jan van Eycken is een verdediging van het klassieke pluralisme: De waarheid is te groot om door één religieuze stroming bevat te kunnen worden, de verschillende religies verrijken elkaar en vullen elkaar aan. Het inclusivisme is naar zijn mening ook moreel beter dan het exclusivisme omdat het laatste agressie uitlokt. Van Eycken beoordeelt achtereenvolgens de christelijke, joodse en islamitische traditie op de vraag hoe zij zich tegenover andere religies opstelt. Het valt op dat hij bij de christelijke visie na wat positieve opmerkingen over de vroege kerk, negatief insteekt bij het evangelie van Johannes dat al besmet zou zijn met het conflict tussen joden en christenen eind eerste, begin tweede eeuw. Dat de oproep om te getuigen de basis vormt van alle boeken in het NT en onlosmakelijk verbonden lijkt met het optreden van Jezus, komt niet in beeld. Net als in het boek Van harem tot fitna van Marcel Poorthuis en Theo Salemink, lijkt het licht volgens Van Eycken pas te gaan schijnen met het Tweede Vaticaans concilie (1962-1965) en wordt er bitter uitgehaald naar de tussenpaus Ratzinger die de dialoog frustreerde. Ronduit negatief wordt er gesproken over de bekeringsdrang van ‘evangelischen’ . De hoofdstukken over de islam zijn informatief, maar Koran en traditie worden wel sterk door een pluralistische bril gelezen. Ik betwijfel of dat een goed beeld geeft van de hoofdstroom van de islam.

CR